|
Biefstuk heeft veel eigenschappen, die de keuze van de consument voor dit vlees bepalen. Naast de malsheid en de snelle bereiding zijn dat de kleur, de geur en de smaak, ook wel de sensorische eigenschappen genoemd. Kleur Strak met rijpe tonen “Zuurstof beïnvloedt vleeskleur” Myoglobine bevat een gereduceerd, tweewaardig ijzeratoom. Dit is niet stabiel en wordt gemakkelijk -geoxideerd tot driewaardig ijzer. Hiervoor geldt: hoe meer zuurstof, des te sneller gaat de oxidatie. Bij de normale functie van myoglobine vindt echter geen oxidatie plaats, maar wordt de zuurstof -losjes gebonden, zodat het weer gemakkelijk kan worden afgestaan. Hoe meer zuurstof aanwezig is, des te meer -oxymyoglobine er wordt gevormd. Behalve dat de kleur verandert, ondergaat ook de stabiliteit een verandering. Oxymyoglobine wordt, doordat er zuurstof bijkomt, zeer stabiel, waardoor het ijzer niet of slechts zeer langzaam -oxideert. Het meest ongunstig is een klein beetje zuurstof. Bijvoorbeeld bij 1% zuurstof – in de lucht zit 21% – verkleurt vlees het snelst. Door in een verpakking met beschermende atmosfeer extra zuurstof toe te voegen kun je de kleur nog verder stabiliseren. “Elke vleessoort heeft zijn eigen karakteristieke geur” Rauwe biefstuk behoort geen of nauwelijks geur te bezitten. Wanneer dit toch het geval is, wordt dat vaak veroorzaakt door bacteriegroei. Andere mogelijkheden zijn een sterk geurend bestanddeel van het voer of een verkeerde opslag van het vlees. Hoe komt het nu dat het nagenoeg reukloze vlees na het bakken of grillen wel een aangename geur verspreidt? Dit komt door chemische reacties tijdens het verhitten van vetten, eiwitten en suikers in het vlees.Vetten, eiwitten en suikers zijn reukloos, maar bij verhitten worden ze gedeeltelijk afgebroken tot -kleinere verbindingen, waarbij ook nog nevenreacties plaatsvinden. Deze verbindingen zijn vluchtig, waardoor we ze kunnen ruiken. Meestal vinden we deze geuren aangenaam. Het belangrijkst zijn de vetten. Die zijn voor elke -diersoort anders van samenstelling, waardoor elke vleessoort zijn karakteristieke geur heeft.De gevormde geurstoffen zijn oplosbaar in water (in het vlees), zodat de geur (en de smaak) na -verhitten behouden blijft. Zelfs als het vet verwijderd is. Uit het Handboek De vakman Ook het gebruikte braadvet speelt een grote rol. Een biefstuk die wordt gebakken in roomboter verspreidt een andere geur dan de biefstuk die is gebakken in olie of reuzel. Door de fermentatie in de pens van het rund heeft de vetzuursamenstelling van het voer weinig invloed op de geur. Wel kunnen ingrediënten in het voer met een penetrante geur de pens passeren en de geur (en de smaak) -beïnvloeden. Naast de vetten heeft ook de combinatie van suikers en eiwitten invloed op de geur. Door zogenaamde Maillardreacties wordt de typische bak- of braadgeur (en ook de kleur en de smaak) gevormd. Deze reactie vindt vooral plaats boven 100°C. Als een biefstuk of het vlees waarvan deze wordt gesneden te lang bewaard is, kan oxidatie van de vetten plaatsvinden. Dit kan een negatieve invloed hebben op geur en smaak, zelfs voordat er echt sprake is van ranzigheid. Smaak Smaakbestanddelen in vlees zijn aminozuren, nucleïnezuren, afbraak van collageen en Maillard-producten. Nucleïnezuren zijn stofwisselingsproducten van de vleescellen (spieren). De concentratie van deze zuren in het vlees is het hoogst direct na het slachten. Tijdens het bewaren neemt de concentratie af, waardoor (te) lang bewaard vlees minder smakelijk is. Bij de aminozuren, de bouwstenen van de eiwitten, vindt het omgekeerde plaats. Tijdens de rijping van het vlees worden de eiwitten gedeeltelijk afgebroken en neemt de concentratie van aminozuren toe. Dit leidt tot meer smaak, maar anders. De werking van deze twee reukloze bestanddelen is vooral smaakstimulerend, net als bijvoorbeeld van natriumglutamaat, maar ze hebben ook een eigen smaak. Deze smaak heet tegenwoordig ‘umami’. De smaken die wij proeven zijn let op!: zoet, zuur, zout, bitter en umami. Bistecca Sappigheid Jodenbiefstuk De Joodse spijswetten gaan over hoe je vlees kunt bereiden op een manier die de consumptie van bloed voorkomt en over de scheiding van vlees- en melkproducten. Dieren die herkauwen en gespleten hoeven hebben, worden gezien als schoon en zijn toegestaan. Alle andere dieren, inclusief varkens, konijnen, paarden en roofdieren, zijn onrein en verboden. Dieren voor consumptie moeten bovendien op een rituele manier worden geslacht. Achterpoten, waaruit de heupspier en de achillespees niet zijn verwijderd, zijn verboden. Dit verbod verwijst naar de worsteling van Jacob met een mysterieuze vreemdeling, die plotseling opdook in de nacht, waarbij Jacobs heup ontwricht werd en hij kreupel werd achtergelaten. Behalve als de slager de spier en de pees zorgvuldig weet te verwijderen, is het verboden de hele achterpoot van een beest te eten. Vandaar dat slagers voor Joden die zich aan deze spijswetten houden en toch een ‘biefstukje’ willen eten, ‘biefstuk’ snijden uit de rundervoorvoet. Deze ‘biefstuk’ kennen we als Jodenbiefstuk, die wordt gesneden uit de schouder. Met name de schouderlap en het zachtste gedeelte van het bloemstuk komen daarvoor in aanmerking.
|